Uitvoerder van het kunsten- en cultureel-erfgoedbeleid van de Vlaamse Regering

Welke beoordelingscriteria zijn verbonden aan de functies?

De functies zijn alleen van toepassing bij de basisinstrumenten, namelijk:

  • beurzen
  • projectsubsidies
  • werkingssubsidies 
  • de ondersteuning van kunstinstellingen. 

Per basisinstrument zijn er criteria uitgewerkt. Een aanvraag van een organisatie of kunstenaar wordt over alle disciplines heen getoetst aan dezelfde criteria (9 criteria voor werkingssubsidies, 5 criteria voor projectsubsidies). 

Het criterium kwaliteit inhoudelijk concept wordt per functie specifiek ingevuld. 

De criteria vormen de maatstaf voor de beoordeling.


Beurzen

Een beurs is verbonden aan de functie ontwikkeling. Het opzet van de beurs is om (nieuwe) ideeën te ontwikkelen, (andere) wegen te verkennen, een (nieuwe) evolutie te beginnen, te reflecteren over de eigen praktijk en deze te verdiepen. Belangrijk is dat de beurs niet output- maar evolutie-gebonden is, al kunnen concrete projecten of resultaten onderweg wel ontstaan. 

Er zijn verschillende criteria voor kortlopende en langlopende beurzen. 


Projectsubsidies

Projectsubsidies kunnen aangevraagd worden voor projecten die inzetten op:

  • ontwikkeling
  • productie
  • presentatie
  • participatie
  • reflectie
  • (of voor een combinatie van deze functies). 

Projectsubsidies dekken met andere woorden een brede lading. 

De werkverblijven, creatieopdrachten, opnameprojecten, internationale projecten en de vertaling van niet-periodieke publicaties die in het decreet van 2004 afzonderlijk werden benoemd vallen allen onder de noemer ‘projectsubsidies’.

Voor projecten gelden 5 criteria.   

Het criterium kwaliteit inhoudelijk concept en concrete uitwerking wordt per functie specifiek ingevuld, dit om een beoordeling op maat te garanderen.

1° voor de functie ontwikkeling:

  • kwaliteit van het artistiek onderzoek en experiment
  • bijdrage aan de ontwikkeling van het traject van de kunstenaar

Op basis van dit criterium wordt een inschatting gemaakt van de kwaliteit van een artistiek onderzoek en experiment en de bijdrage van het project aan de ontwikkeling van het traject van de kunstenaar of de organisatie. Onderzoek en experiment leidt tot nieuwe inhoud of een verdieping van de inhoud en geeft zuurstof aan het traject van de kunstenaar of de organisatie.

2° voor de functie productie:

  • kwaliteit van het creatie- en productieproces
  • kwaliteit van het artistieke resultaat
  • visie op distributie en publieksbereik.

De functie ‘productie’ wordt beoordeeld aan de hand van de kwaliteit van het creatie-en productieproces, de kwaliteit van het artistiek resultaat en de visie op distributie en publieksbereik. Het geproduceerde artistiek resultaat moet ontsloten worden voor een publiek. Daarom is het belangrijk de presentatiemogelijkheden te onderzoeken en een visie te ontwikkelen op distributie en publieksbereik. Het is niet nodig zelf een presentatiefunctie op te  nemen. 

3° voor de functie presentatie:

  • kwaliteit van het gepresenteerde artistieke resultaat
  • kwaliteit van de presentatiecontext 
  • visie op en uitwerking van de publiekswerking. 

Niet alleen de kwaliteit van het programma of het artistieke resultaat dat gepresenteerd wordt (wat), maar ook de kwaliteit van de context van de presentatie wordt beoordeeld. Is er bijvoorbeeld een  aangepaste presentatieplek, een specifieke wijze van presenteren,  een aangepaste format, kader, dramaturgie enzovoort.  

De visie op de relatie met het publiek wordt ook beoordeeld. Om het programma in contact met een publiek te brengen, wordt ingezet op publiekswerving en publiekswerking. Publiekswerving slaat op het doelgroepenbeleid, het communicatieplan van het project. Bij publiekswerking gaat het bijvoorbeeld om de omkadering van het programma via lezingen, rondleidingen, introducties, enzovoort.  

4° voor de functie participatie:

  • kwaliteit van de participatieve concepten en methodieken
  • kwaliteit van de procesbegeleiding
  • betrokkenheid van de deelnemers.  

Belangrijke randvoorwaarde voor een kwalitatief participatief concept is de begeleiding door een of meerdere professionele kunstenaars. Dit kan eventueel samen met educatieve, culturele of sociale werkers. De actieve participatie van de doelgroep of deelnemers staat centraal. Zij zijn (mogelijk) betrokken bij de uitwerking of realisatie en evaluatie van projecten of activiteiten. De kwaliteit van dit participatieproces kan afgetoetst worden aan bijvoorbeeld het vernieuwende karakter ervan of de meerwaarde voor het veld.

5° voor de functie reflectie:

  • kwaliteit van de reflectie over de kunst(praktijk) en/of het kunstenveld, voor zover er een betrokkenheid is met het kunstenveld in het Nederlandse taalgebied en/of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  • kwaliteit van de wijze waarop de reflectie toegankelijk gemaakt wordt.

De reflectie moet steeds artistieke, culturele en/of kunstkritische inhoud als voorwerp hebben. Reflectie draagt bij aan de kennis over (de ontwikkelingen van) kunst of het kunstenveld en kan de discussie erover voeden en versterken. De resultaten moeten steeds op een kwalitatieve manier toegankelijk gemaakt worden voor een geïnteresseerd publiek. Dit kan op verschillende manieren zoals via (online) publicaties, workshops, lezingen, debatten enzovoort.


Werkingssubsidies

Een werkingssubsidie ondersteunt een organisatie bij de uitvoering van een werking die inzet op één of meerdere functies en disciplines.  

Voor werkingssubsidies gelden 9 criteria

Het criterium kwaliteit inhoudelijk concept en concrete uitwerking wordt per functie specifiek ingevuld, dit om een beoordeling op maat te garanderen.

1° voor de functie ontwikkeling:

  • visie op en kwaliteit van de begeleidings- en ondersteuningsfunctie en/of van het artistiek onderzoek, het experiment en de artistieke vernieuwing.

De begeleidings- en ondersteuningsfunctie bij de functie ‘ontwikkeling’ omvat het creëren van een goede context, tijd en ruimte voor kunstenaars. Zo krijgen kunstenaars de kans om via onderzoek en (zelf)reflectie de artistieke praktijk te beschrijven, te bevragen en te onderzoeken. 

Begeleiden en steunen van kunstenaars kan op diverse manieren: logistiek, inhoudelijk, technisch, organisatorisch, zakelijk enzovoort.

Onder meer volgende vragen moeten worden beantwoord: wat is de visie op lange termijn van de organisatie, wat doet ze voor de carrièreontwikkeling van kunstenaars enzovoort.

2° voor de functie productie:

  • visie op en kwaliteit van het creatie- en productieproces
  • kwaliteit van het artistiek resultaat
  • visie op distributie en publieksbereik.

De functie ‘productie’ wordt beoordeeld aan de hand van de kwaliteit van het creatie-en productieproces, de kwaliteit van het artistiek resultaat en de visie op distributie en publieksbereik. Het geproduceerde artistiek resultaat moet ontsloten worden voor een publiek. Daarom is het belangrijk de presentatiemogelijkheden te onderzoeken en een visie te ontwikkelen op distributie en publieksbereik. Het is niet nodig zelf een presentatiefunctie op te  nemen. 

3° voor de functie presentatie:

  • kwaliteit van het programma
  • kwaliteit van de presentatiecontext
  • visie op en uitwerking van de publiekswerking.

Niet alleen de kwaliteit van het programma of het artistiek resultaat dat gepresenteerd wordt, maar ook de kwaliteit van de context van de presentatie wordt beoordeeld. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een  aangepaste presentatieplek of een specifieke  wijze van presenteren, een aangepaste format, kader, dramaturgie enzovoort. 

Ook de relatie van het programma of het artistiek resultaat met het publiek wordt beoordeeld. Dit omvat zowel publiekswerving als publiekswerking. Publiekswerving slaat op het doelgroepenbeleid, het communicatieplan van het project. Bij publiekswerking gaat het bijvoorbeeld om de omkadering van het programma via lezingen, rondleidingen, introducties, enzovoort.  

4° voor de functie participatie:

  • kwaliteit van de participatieve concepten en methodieken
  • kwaliteit van de procesbegeleiding
  • betrokkenheid van de deelnemers;

Belangrijke randvoorwaarden voor een kwalitatief participatief concept zijn: de begeleiding door deskundige kunstenaars en educatieve, culturele of sociale werkers en de betrokkenheid van de deelnemers. Ze participeren actief en zijn (mogelijk) betrokken bij de uitwerking, realisatie en evaluatie van projecten/activiteiten/tools. De kwaliteit van het concept of de methode kan afgetoetst worden aan bijvoorbeeld het vernieuwende karakter of de meerwaarde ervan voor het veld.

5° voor de functie reflectie:

  • kwaliteit van de reflectie over de kunst(praktijk) en/of over het kunstenveld, voor zover er een betrokkenheid is met het kunstenveld in het Nederlandse taalgebied en/of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
  • kwaliteit van de wijze waarop de reflectie toegankelijk gemaakt wordt.

De reflectie moet steeds artistieke, culturele en/of kunstkritische inhoud als voorwerp hebben Reflectie draagt bij aan de kennis over (de ontwikkelingen van) kunst of het kunstenveld en kan ook de discussie over kunst voeden en versterken. De resultaten moeten steeds op een kwalitatieve manier toegankelijk gemaakt worden voor een geïnteresseerd publiek. Dit kan op verschillende manieren zoals via (online) publicaties, workshops, lezingen, debatten enzovoort.


Kunstinstellingen

Kunstinstellingen zijn grootschalige initiatieven met nationale en internationale uitstraling en een belangrijke symboolwaarde in het hele cultuurbeleid. Kunstinstellingen moeten inzetten op de volledige keten van 5 functies: 

  • ontwikkeling
  • productie
  • presentatie
  • participatie
  • reflectie. 

Voor Kunstinstellingen gelden de algemene definities van de functies.