Uitvoerder van het kunsten- en cultureel-erfgoedbeleid van de Vlaamse Regering

Hoofdlijnen van het decreet

Inleiding

Hieronder staan de hoofdlijnen van het Cultureel-erfgoeddecreet 2017 beschreven, waarbij ook de wijzigingen ten opzichte van het huidige decreet geduid worden.

Strategische visienota

Het ontwerp van Cultureel-erfgoeddecreet voorziet, naar analogie met het Kunstendecreet, de opmaak van een visienota voorafgaand aan een structurele subsidieronde.

Voortbouwend op de beleidsnota Cultuur, bevat de visienota de beleidsprioriteiten van de minister en biedt het een richtinggevend kader voor de beoordeling van de subsidievragen. De strategische visienota wordt ook afgestemd met andere besturen. De steden, gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie maken hiertoe hun beleidsintenties kenbaar.

De Conceptnota Naar een duurzame cultureel-erfgoedwerking in Vlaanderen vormt de basis voor de eerste visienota, die op 1 april 2017 wordt voorgelegd aan het Vlaams Parlement.

 

Complementair beleid

Door de afslanking van de provincies wordt het complementaire beleid hertekend. Vanaf 1 januari 2018 dragen de provincies hun culturele bevoegdheid over en zijn ze niet langer betrokken partij in het cultureel-erfgoedbeleid. 

Met de steden, gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) wordt een nieuwe afsprakenregeling gemaakt  over de wijze waarop ze betrokken worden bij de uitvoering van het decreet:
  • de steden, gemeenten en de VGC worden betrokken bij de opmaak van de strategische visienota
  • ze kunnen gehoord worden na de beoordelingsprocedure over werkingssubsidies aan cultureel-erfgoedorganisaties op hun grondgebied
  • ze worden betrokken bij het sluiten van een beheersovereenkomst met de cultureel-erfgoedorganisaties die aangeduid werden als ‘cultureel-erfgoedinstelling’ en die gevestigd zijn op hun grondgebied.

Nieuwe begrippen: functies en rollen

Het ontwerp van Cultureel-erfgoeddecreet introduceert functies en rollen als belangrijke nieuwe begrippen. Die nieuwe begrippen zijn gemeenschappelijk voor de verschillende deelsectoren en integreren de roerende en immateriële benadering. De functies en rollen vormen de basis van de subsidiëring.

Een functie wordt gedefinieerd als een basistaak in de cultureel-erfgoedwerking. De vier ‘basisfuncties’ uit het vorige decreet worden geactualiseerd en uitgebreid naar vijf functies:
  • herkennen en verzamelen
  • behouden en borgen
  • onderzoeken
  • presenteren en toeleiden
  • participeren.
De functies omvatten alle geïdentificeerde erfgoedtaken, zowel voor roerend als immaterieel erfgoed. 

Een rol staat voor een dienstverlenende taak of cluster van dienstverlenende taken die uitgevoerd wordt ter ondersteuning van de functies bij andere cultureel-erfgoedbeheerders of -gemeenschappen.

De basis voor dit nieuwe begrippenkader werd gelegd in de Conceptnota Naar een duurzame cultureel-erfgoedwerking in Vlaanderen. De functies en rollen zijn gebaseerd op de erfgoedtaken die hierin werden opgesomd. 

De vijf functies in het ontwerpdecreet komen overeen met de eerste vijf erfgoedtaken uit de Conceptnota (zie pg. 12 tot 14), de zesde erfgoedtaak uit de conceptnota stemt overeen met de dienstverlenende rol in het ontwerpdecreet.

 

Aanduiding van ‘cultureel-erfgoedinstellingen’

Een aantal collectiebeherende organisaties met een kwaliteitsvolle werking en collectie, én met een uitstraling, schaalgrootte, bereik en relevantie op landelijk en internationaal niveau, kunnen aangeduid worden als (grote) ‘cultureel-erfgoedinstellingen’. De Vlaamse overheid wil voor deze cultureel-erfgoedinstellingen een grotere verantwoordelijkheid nemen door een substantiële subsidie toe te kennen voor hun werking.

Met de werkingssubsidie:
  • brengen die cultureel-erfgoedinstellingen de uitvoering van hun basistaken (functies) op een excellent niveau
  • spelen ze actief in op nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen in de samenleving
  • hebben zij een voorbeeldrol inzake goed bestuur, samenwerking en expertisedeling. 
De aanduiding als cultureel-erfgoedinstelling kan niet afzonderlijk aangevraagd worden, maar gebeurt gelijktijdig met de aanvraagprocedure voor indeling en subsidiëring. De aanduiding geldt voor onbepaalde duur. De werkingssubsidie aan die instellingen wordt niet in vraag gesteld, enkel de hoogte van het bedrag wordt vijfjaarlijks herbekeken.

 

Werkingssubsidies voor het uitvoeren van functies

Naast de aanduiding van een beperkte groep ’cultureel-erfgoedinstellingen’, blijft de Vlaamse overheid verantwoordelijkheid nemen voor het brede veld, een ruime groep van collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties.


Collectiebeherende organisaties: landelijk én regionaal

Het provinciale ondersteuningsbeleid voor musea en archiefinstellingen wordt geïntegreerd in het ontwerp van Cultureel-erfgoeddecreet. 
De vijf functies vormen de basis voor landelijke of regionale indeling en subsidiëring. De criteria maken een onderscheid tussen landelijke en regionale indeling en zullen, net als de beoordelingsprocedure, nader bepaald worden in het uitvoeringsbesluit.

Alle bedragen voor werkingssubsidies in het nieuwe decreet zijn variabel, voor de regionaal ingedeelde organisaties zijn hierbij wel minimum- en maximumbedragen bepaald.

 

Indeling en subsidiëring van erfgoedbibliotheken

Voor het eerst wordt ook de mogelijkheid voorzien tot indeling en subsidiëring van erfgoedbibliotheken. De erfgoedbibliotheken moeten , net als de musea en culturele archiefinstellingen, een afzonderlijke opzichzelfstaande cultureel-erfgoedwerking hebben om ingedeeld en structureel gesubsidieerd te worden. Voor organisaties waarvan de cultureel-erfgoedwerking deel uitmaakt van een andere werking binnen dezelfde organisatie, zit de structurele financiering vervat in die bredere werking. 


Organisatie voor immaterieel cultureel erfgoed

Het voorontwerp van decreet voorziet in de subsidiëring van een organisatie op landelijk niveau die de 5 functies opneemt specifiek voor immaterieel erfgoed.


 

Werkingssubsidies voor een dienstverlenende rol op landelijk niveau

Een werkingssubsidie voor het uitvoeren van een dienstverlenende rol op landelijk niveau kan aangevraagd worden voor complexe of grootschalige erfgoednoden die de draagkracht van individuele organisaties overstijgen en waarvoor diverse vormen van kennis, expertise, en infrastructuur moeten worden samengebracht. Deze subsidielijn vervangt de verschillende subsidielijnen die in voorgaande decreten per dienstverlenend organisatietype werden benoemd.  Collectiebeherende organisaties kunnen hier ook op intekenen, bijkomend op de werkingssubsidies voor de vijf functies. Het opnemen van een landelijke dienstverlenende rol door een collectiebeherende organisatie is optioneel.

Indien de rol wordt aangevraagd door een collectiebeherende organisatie is deze gelinkt aan de aanwezige competenties en expertise in de organisatie. Door deze rol afzonderlijk te subsidiëren, wordt de aanwezige expertise en inzet duidelijker gevaloriseerd. Het betekent wel dat de collectiebeherende organisatie op het moment van de aanvraag  over deze expertise moet beschikken en dat een afzonderlijke cel en personeel moet instaan voor het uitvoeren en coördineren van de dienstverlening naar het brede veld; zowel naar cultureel-erfgoedorganisaties als naar organisaties die erfgoedwerking niet als kerntaak hebben.

Een afzonderlijke dienstverlenende organisatie komt in aanmerking voor werkingssubsidies voor het opnemen van een rol indien het belang en de noden van de cultureel-erfgoedbeheerders of -gemeenschappen waarop de dienstverlening gericht is, verantwoord kan worden en voor zover een collectiebeherende organisatie (of een andere cultureel-erfgoedorganisatie) deze rol nog niet invult.

Mogelijke dienstverlenende rollen worden niet vastgelegd in de regelgeving. Zo wordt de openheid behouden om in te spelen op nieuwe evoluties en noden in het veld. De afdeling Cultureel Erfgoed zal wel, in samenspraak met de actoren uit de cultureel-erfgoedsector, de regie voeren over de ontwikkeling van het dienstverlenend cultureel-erfgoednetwerk. 

 

Werkingssubsidies voor een dienstverlenende rol op regionaal niveau voor andere besturen

De ondersteuning van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) via het instrument van de cultureel-erfgoedconvenants blijft mogelijk. De subsidie wordt toegekend voor het opnemen van een dienstverlenende rol op regionaal niveau, ter ondersteuning van de cultureel-erfgoedwerking bij cultureel-erfgoedbeheerders en -gemeenschappen op het grondgebied. Voor de VGC is het ontwikkelen van een depotbeleid op het grondgebied een bijkomende doelstelling.

Voorwaarde tot de subsidiëring van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, is in de eerste plaats de aanwezigheid van voldoende cultureel erfgoed en cultureel-erfgoedbeheerders die een dienstverlenende rol verantwoorden. Daarnaast geldt een werkingsgebied dat ten minste 85.000 inwoners omvat. Deze voorwaarde wordt ingeschreven met het oog op voldoende schaalgrootte voor de cultuur-erfgoedwerking.

Het minimum aantal inwoners op het grondgebied is niet van toepassing in geval het intergemeentelijk samenwerkingsverband samenvalt met het werkingsgebied van een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.

De steden Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven en Mechelen kunnen voor het opnemen van de regionale dienstverlening ondersteuning krijgen wanneer de stad die rol delegeert aan een collectiebeherende organisatie op het grondgebied of door deel te nemen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband.

 

Eenzelfde indiendatum voor werkingssubsidies

Het ontwerp van Cultureel-erfgoeddecreet voorziet eenzelfde  indiendatum voor de aanvragen voor de meeste types werkingssubsidies. Dat maakt een gecoördineerde beslissing mogelijk voor het brede cultureel-erfgoedveld. Omwille van die reden zijn er geen tussentijdse indiendata meer voorzien. In 2018 vindt een eerste ‘grote erfgoedronde’ plaats voor de periode 2019 – 2023. 

De beleidsperiode voor de ondersteuning van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor regionale dienstverlening blijft 6 jaar, gekoppeld aan de legislatuur van de steden en gemeenten. Het cultureel-erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie blijft de legislatuur van het Vlaams Parlement volgen.

 

Projectmatige ondersteuning

Met projectsubsidies wil de Vlaamse Gemeenschap een dynamische cultureel-erfgoedwerking stimuleren door tijdelijke projecten te ondersteunen. 

Enkel projecten die focussen op cultureel-erfgoedwerking en met een uitgesproken landelijke of internationale schaalgrootte, reikwijdte of uitstraling, komen in aanmerking voor subsidiëring. 

Projectsubsidies kunnen in het ontwerp van decreet aangevraagd worden voor:
  • landelijke en internationale cultureel-erfgoedprojecten die inzetten op één of meer functies, of een dienstverlenende rol, of de combinatie van beiden
  • projectsubsidies voor internationale cultureel-erfgoedprojecten die cofinanciering vereisen
  • tussenkomsten voor internationale uitwisseling met het oog op competentieontwikkeling.
Organisaties die niet beschikken over een kwaliteitslabel of geen werkingssubsidie ontvangen op basis van het decreet komen enkel in aanmerking voor landelijke en internationale cultureel-erfgoedprojecten als ze samenwerken met een organisatie die een werkingssubsidie ontvangt op basis van het decreet. Aanvragen van ‘cultureel-erfgoedinstellingen’ komen alleen in aanmerking voor projecten met een internationale schaalgrootte, reikwijdte en relevantie.

Cofinancieringsprojecten zijn enkel beschikbaar voor organisaties die een werkingssubsidie ontvangen. Tussenkomsten voor internationale uitwisseling zijn beschikbaar voor organisaties met een kwaliteitslabel of een werkingssubsidies. 

Voor de beoordeling van de projectsubsidies wordt een advies geformuleerd door de administratie samen met meerdere externe experten. Op deze wijze kan flexibel ingespeeld worden op de specifieke expertises die nodig zijn voor de advisering van voorliggende dossiers per ronde.
 

Steunpunt voor Cultureel Erfgoed

De ondersteuning van het steunpunt is niet opgenomen in het ontwerp van Cultureel-erfgoeddecreet. In het kader van de cultuurbrede afstemming van de taken en rollen van intermediaire structuren worden de rollen van een steunpunt immers voor alle culturele sectoren op dezelfde manier geherdefinieerd. In een overgangsbepaling wordt voorzien dat de huidige subsidiëring van het steunpunt wordt verdergezet op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 2012, tot een nieuwe regelgeving van toepassing wordt.